In de droom doemt het huis voor de duizendste keer voor me op. Alsof ik ben uitgetreden uit mijn lichaam, zie ik mezelf het huis aarzelend naderen. Ik reik naar de deurknop en merk het geforceerde slot op, het modderige voetspoor. Ik zie mijn bovenlichaam schokken doordat mijn hart een slag overslaat. Het volgende moment sta ik in de keuken, zonder te weten hoe ik er ben gekomen.
Twee stoelen liggen omver. Een pak melk is op de tegelvloer uit elkaar gespat en heeft een wit meer gevormd onder de open deur van de koelkast; heet water stoomt in de gootsteen; schuimvlokken dwarrelen in de tocht van het open raam. Spetters rood. Dieprood. In een klap vliegt de geur van bloed me aan.
In werkelijkheid belde ik toen 112. De droom biedt geen plek voor hulp van buitenstaanders.
Boven plonst iets. Ik ren tergend traag, ijzig koud de trap op, alsof ik door een meter sneeuw een heuvel op waad. De geur wordt sterker. Zwaar, zoet en metalig. Maar heel vaag, als een valse noot in de verte, dat parfum.
Daar gaan we weer.
Irma kijkt naar de rug van Brian, die na het uitklappen van haar rolstoel zonder aarzelen naar de voordeur loopt, zijn stappen energiek en gretig alsof het zijn eerste taxatie is. Ze zucht. Met geroutineerde bewegingen hijst ze zichzelf uit zijn leaseauto haar stoel in, en zwiept ze de passagiersdeur dicht. Terwijl ze over het smalle trottoir naar de oprit rolt, werpt ze haar eerste blik op het huis.
Het lijkt… hongerig.
Meteen als de gedachte bij Irma opkomt, verwerpt ze hem. Huizen hebben geen honger. Even overweegt ze om Brian te vragen wat hij voor gevoel krijgt van het pand. Maar ook die gedachte verwerpt ze. Ze weet veel te goed wat hij voelt bij een huis: niets. Huizen hebben een tuin op het zuiden, zonnepanelen, een verfje nodig of HR++ beglazing rondom.
Geen honger.