In de droom doemt het huis voor de duizendste keer voor me op. Alsof ik ben uitgetreden uit mijn lichaam, zie ik mezelf het huis aarzelend naderen. Ik reik naar de deurknop en merk het geforceerde slot op, het modderige voetspoor. Ik zie mijn bovenlichaam schokken doordat mijn hart een slag overslaat. Het volgende moment sta ik in de keuken, zonder te weten hoe ik er ben gekomen.
Twee stoelen liggen omver. Een pak melk is op de tegelvloer uit elkaar gespat en heeft een wit meer gevormd onder de open deur van de koelkast; heet water stoomt in de gootsteen; schuimvlokken dwarrelen in de tocht van het open raam. Spetters rood. Dieprood. In een klap vliegt de geur van bloed me aan.
In werkelijkheid belde ik toen 112. De droom biedt geen plek voor hulp van buitenstaanders.
Boven plonst iets. Ik ren tergend traag, ijzig koud de trap op, alsof ik door een meter sneeuw een heuvel op waad. De geur wordt sterker. Zwaar, zoet en metalig. Maar heel vaag, als een valse noot in de verte, dat parfum.