Voorstanders van kernenergie claimen graag dat hun lievelingsenergiebron zo schoon is. Ik sta perplex van dat argument, niet perplex als retorisch middel, maar perplex in werkelijke, “ik-begrijp-er-niks-van”-zin. Schoon? Hoe bedoel je, schoon? Heb je hier wel voldoende over nagedacht? Ik kan geen menselijke activiteit bedenken die het predicaat ‘schoon’ minder verdient dan kernenergie.
Want in werkelijkheid zijn er drie onoverkomelijke problemen met kernenergie. Wees gerust, ik zal je niet vervelen met het risico van woestenij-makende ongelukken. Geen Tjsernobyl-verhalen van mij, dat beloof ik. (Al is het maar omdat Tsjernobyl, en Three Mile Island, en Fukushima zelf al voldoende argument zijn.)
Zo kwam er toch nog een waardevol weetje voort uit de barre, frustrerende winterse omstandigheden: hoe William Goldman aan zijn titel kwam.
Nu ja, ik geef het toe: het was niet alleen maar frustrerend. Van de Rijnbandijk af sleeën en zelfs skiën, terwijl aan de andere kant het hoogwater tegen het dijklichaam klotst, dat had wel een surrealistische magie.
Maar toen begon een nieuwe lawine van afzeggingen en annuleringen. Voetbalwedstrijden, allá. Daar merk ik sowieso nooit iets van. Dat de Avri te elfder ure aankondigde dat ze het GFT niet komen ophalen morgen, daar valt omheen te werken. En dat de treinen niet rijden, dat zal in deze thuiswerktijden toch amper worden opgemerkt.
Maar tot slot e-mailde het schoolbestuur dat ze vanwege de sneeuw en de gladheid toch maar een dagje later open gaan. En laat me je vertellen: als je kinderen al vijf weken thuis zitten, een lockdown met avondklok gaande is, het hele gezin langzamerhand doldraait en het enige waar we ons op verheugen het heropenen van de scholen is… dan is ijsvrij géén reden voor vreugde.
Al gauw bereikten we in de familie-appgroep de consensus dat morgen tot Nationale Baaldag moest worden uitgeroepen. Met landelijke protesten. Inclusief barricades van hooibalen en erediensten voor Baäl (een kostelijke woordspeling).
Waarop ik me ineens afvroeg: wat was dat eigenlijk voor god, die Baäl?
En wat blijkt: Baäl was helemaal geen god! Althans niet op zichzelf. Baäl was ruim voor Christus, in het Midden-Oosten, gewoon een eretitel, vergelijkbaar met “Heer”, en op vergelijkbare manier gebruikt, om de lokale oppergod aan te duiden. Kanaänieten, Feniciërs, Arameeërs en de Carthagers hadden elk zo hun eigen Baälen, vernoemd naar een lokale plaats- of eigennaam. Baäl Hadad, bijvoorbeeld, of Baäl Melqart, of Baäl Moloch.
Ook bekend als Beëlzebub. Een van de zeven prinsen van de Hel. Vaak, maar strikt genomen onterecht, gebruikt als een andere naam voor Satan.
Nu lijken de geleerden ietwat verdeeld over de herkomst en betekenis van deze specifieke naam. Maar in de basis is er enige consensus: volgens de meesten was Baäl Zebul, te vertalen als “Heer van het Huis”, een godennaam, en hebben de Israëlitieten, die zichzelf qua religie toch wat verder geëvolueerd achtten, dat spottend verbasterd tot “Bäal Zebub“, wat met maar één letter verschil de betekenis verlaagt tot “Heer van de Vliegen”.
En toen viel er, decennia te laat voor mijn leeslijst Engels, een kwartje.
Het mag een wonder heten dat ik niet kreunend van wanhoop met mijn hoofd tegen een muur sta te bonken.
Bas Roelman van dagblad Trouw publiceert vandaag over een rapport van onderzoeksbureau Motivaction, waaruit zou blijken dat de meeste Nederlanders in wonderen geloven. Toen ik dat las, ging ik geschokt rechtop zitten: zou het echt zo beroerd gesteld zijn met de bijgelovigheid van de gemiddelde Nederlanders?
En in de eerste alinea van het stuk staat het echt: 63% van de Nederlanders gelooft in meer of mindere mate in wonderen; slechts 32% gelooft er niet in.
Gisteravond heb ik iemand ontvriend en geblokkeerd op Facebook na een discussie over vaccinatie.*
Hij was niet eens rabiaat fundamentalistisch over het onderwerp. Desalniettemin droeg zijn debatteerstijl alle kenmerken van de wijd verbreide desinformatiestrategie van de antivaccinatiebeweging. En daarom weiger ik mij nog langer te laten verleiden tot deze discussies. En daarom zal voortaan iedereen die dit debat probeert te voeren op mijn tijdlijn of mijn website, en die na meerdere waarschuwingen niet ophoudt, hetzelfde lot ondergaan als deze iemand.
“Maar discussie is goed,” hoor ik je argumenteren. “Discussie maakt mogelijk dat deelnemers van gedachten veranderen, informatie en standpunten uitwisselen, wetenschappelijke kennis delen. Het monddood maken van het debat houdt louter onenigheid in leven en verhindert verandering.”
Dat zou waar zijn als de gegeven omschrijving van de meerwaarde van debat van toepassing was op anti-vaccinatiespreekbuizen.
Misschien wel het belangrijkste nieuws van het nieuwe Millennium–volgens sommige criteria zelfs verreweg het belangrijkste nieuws sinds het begin van de Industriële Revolutie–lijkt veel minder indruk te maken dan ik had verwacht.
Hoewel het op zich afdoende aanleiding is voor wereldwijde feesten, reusachtige vuurwerkshows (okee, die misschien niet), liters champagne en een geboortegolf over negen maanden, heeft het feit dat de hele wereld overeenstemming heeft bereikt over klimaatverandering vooralsnog tot geen van die dingen geleid (hoewel we wat één ervan betreft zullen moeten afwachten tot september).
In de droom doemt het huis voor de duizendste keer voor me op. Alsof ik ben uitgetreden uit mijn lichaam, zie ik mezelf het huis aarzelend naderen. Ik reik naar de deurknop en merk het geforceerde slot op, het modderige voetspoor. Ik zie mijn bovenlichaam schokken doordat mijn hart een slag overslaat. Het volgende moment sta ik in de keuken, zonder te weten hoe ik er ben gekomen.
Twee stoelen liggen omver. Een pak melk is op de tegelvloer uit elkaar gespat en heeft een wit meer gevormd onder de open deur van de koelkast; heet water stoomt in de gootsteen; schuimvlokken dwarrelen in de tocht van het open raam. Spetters rood. Dieprood. In een klap vliegt de geur van bloed me aan.
In werkelijkheid belde ik toen 112. De droom biedt geen plek voor hulp van buitenstaanders.
Boven plonst iets. Ik ren tergend traag, ijzig koud de trap op, alsof ik door een meter sneeuw een heuvel op waad. De geur wordt sterker. Zwaar, zoet en metalig. Maar heel vaag, als een valse noot in de verte, dat parfum.
De Krekelhof
Daar gaan we weer.
Irma kijkt naar de rug van Brian, die na het uitklappen van haar rolstoel zonder aarzelen naar de voordeur loopt, zijn stappen energiek en gretig alsof het zijn eerste taxatie is. Ze zucht. Met geroutineerde bewegingen hijst ze zichzelf uit zijn leaseauto haar stoel in, en zwiept ze de passagiersdeur dicht. Terwijl ze over het smalle trottoir naar de oprit rolt, werpt ze haar eerste blik op het huis.
Het lijkt… hongerig.
Meteen als de gedachte bij Irma opkomt, verwerpt ze hem. Huizen hebben geen honger. Even overweegt ze om Brian te vragen wat hij voor gevoel krijgt van het pand. Maar ook die gedachte verwerpt ze. Ze weet veel te goed wat hij voelt bij een huis: niets. Huizen hebben een tuin op het zuiden, zonnepanelen, een verfje nodig of HR++ beglazing rondom.