Tag archieven: bespiegelingen

Karaktermoord, of ‘kill your darlings’ voor gevorderden

Als schrijver ga je toch altijd een beetje houden van je personages. Zelfs de bijrollen en figuranten komen in mijn hoofd tot leven, ontwikkelen een persoonlijkheid, en verwerven een achtergrondverhaal dat ik probleemloos en met plezier kan oplepelen.

Die rechercheur is een groot liefhebber van speciaalbier. Dat kind zat eerst op de Vrije School, maar kon daar niet aarden. Die schouwarts houdt eigenlijk helemaal niet van Spanje, maar gaat er jaarlijks heen omdat haar echtgenote er zo graag komt. Totaal irrelevant voor de plot, niet vermeldenswaardig op de pagina, maar wel details die voor mij de personages tot leven brengen in de mentale karaktersimulator*.

Het is dan ook extra pijnlijk als onder de darlings die in het redactieproces moeten worden gekilld ook personages zijn. In Kleinste kwaad had ik een veelkoppige dramatis personae opgevoerd, zo veelkoppig dat mijn proeflezers een bos-en-bomen-probleem ervoeren, en mijn redacteur rücksichtlos zei dat het minder moest. In totaal vijf drie*** bijrollen en twee figuranten zijn dientengevolge gesneuveld.

Het voelde een beetje als — en was letterlijk** ook — karaktermoord.

Ik gedenk hieronder de arme stakkers wiens literaire leven ik wreed heb beknot.

R.I.P. Pepijn van Dael*** – Een van de zes (nu dus nog maar vijf) ontvoerde kinderen waar het boek om draait. Lief, beetje nerdy, goedgebekt en wonderlijk ongevoelig voor het gepest van de -koppen in de klas.

Vaarwel, Sara Winkler en Ayman Kadiri – Een tweetal competente rechercheurs die inspecteur Van Eik effectief bijstonden in de grote ontvoeringszaak die hij onderzoekt. Ze zijn er in mijn hoofd nog wel bij, maar krijgen geen screen time meer.

Rust zacht, Darya El Hashem – De schouwarts die een schijnbare zelfmoord onderzoekt. Net als Winkler en Kadiri is Darya genadeloos van het papier verdwenen, terwijl ze op de achtergrond van het verhaal nog steeds haar werk doet.

En good riddance, Ben en Noor, stelletje hufters – Ben was Zorahs vriendje op de Hogeschool van Amsterdam, en Noor de studente met wie hij haar bedroog. We hates them, my Prrrreciousssss!


* Die iedereen in meer of mindere mate in zijn hoofd heeft om de mensen om zich heen te begrijpen en tot op zekere hoogte te voorspellen, maar die bij schrijvers hyperactief is.

** Al heb ik bij de opleiding Scenarioschrijven geleerd dat ‘personages’ de enige juiste Nederlandse term is, en ‘karakters’ een gruwelijk anglicisme voor hetzelfde.

*** In een eerdere versie van dit bericht werd beweerd dat ook Pepijns ouders waren gesneuveld. Dat was een vuige leugen. Ik heb Otto en Hadewych van Dael niet geschrapt, maar enkel hun kind afgenomen en vervangen door een ander kind.

Wat als?

Read the English version here.

Beste collega-man*,

Wat als het je zus is? Je dochter? Je vrouw of vriendin? Of laten we het voor het gemak hebben over je moeder, want die hebben we allemaal. Wat als het deze vrouwen zijn, vrouwen die jou persoonlijk dierbaar zijn, die in de kleedkamer van de voetbalclub op ranzige wijze over de tong gaan? Waarover je collega’s elkaar vragen met wie ze het liefst onder de douche zouden gaan**?

Wat als jouw puberdochter op straat wordt nagefloten? Als ze wordt nagelopen, ongewild aangesproken, niet met rust wordt gelaten als ze dat wanhopig vraagt? Als ze in de lift bij de billen of borsten wordt gepakt? Als haar stagebegeleider veel te dicht over haar heen hangt? Als ze elke training weer de erectie van haar trainer in haar rug voelt?

Wat als je zwager zich tegen haar wil aan je zus opdringt, omdat hij vindt dat het zijn huwelijkse recht is? Als haar leidinggevende bij het functioneringsgesprek ineens de deur op slot draait, zijn hand op haar blote knie legt, zijn mond op de hare duwt, zijn tong naar binnen dwingt? Als haar dansleraar seks eist als voorwaarde voor haar gedroomde succes?

Wat als hij het niet eist, maar met geweld neemt?

En wat als alle mannen er omheen horen, zien en zwijgen als de spreekwoordelijke aapjes? Als die de schouders ophalen, denken dat het geen kwaad kan, dat het er gewoon bij hoort, en dat je zus, dochter, vrouw, vriendin, moeder het misschien ook wel een beetje zelf heeft uitgelokt?

Wat zou je daarvan vinden?

Elke vrouw, elk meisje, is je zus, je dochter, je vrouw, je vriendin, je moeder. Het is altijd erg, niet alleen als het de vrouwen in jouw leven overkomt. Altijd. En voor verreweg de meeste vrouwen zijn deze vragen niet hypothetisch, maar dagelijkse, pijnlijke, vernederende realiteit.

En als je geen deel bent van de oplossing, ben je deel van het probleem. Als je die voetballer niet bent, die collega, die bouwvakker, die naloper, betaster, stagebegeleider of trainer, die partner, leidinggevende of dansleraar, dan ben je wel dat aapje.

Dus haal die harige handen van je mond.


* Deze brief is ook aan mijzelf.

** Dit gesprek heb ik meegemaakt op de werkvloer. Ik heb toen mijn harige handen op mijn mond gehouden. Nooit meer.

Mannen En Naveltruitjes

De Uitgelichte lezersbrief in Trouw van maandag 21 juni bewoog mij onmiddellijk tot een woedende reactie. De Trouw-redactie heeft er (gelukkig?) de scherpe randjes af geredigeerd en hem vervolgens integraal geplaatst, ook in de rubriek Uitgelicht. (Klik op de afbeelding om de brief te lezen.)

Dit bericht heeft op verschillende sociale media inmiddels vele reacties ontlokt, naast bijval ook veel protest en tegenwerpingen (uiteraard vooral van mannen). Een paar punten komen telkens weer terug, zo vaak dat het de moeite waard is om die onderaan dit bericht te benoemen.

Van vrouwen en meisjes verwachten dat ze zich minder uitdagend kleden voor het gemak en (godbetert!) de veiligheid van mannen? Dat is willens en wetens plaatsnemen bovenaan de glijbaan naar de burqa.

  • Ja, het zou deel moeten uitmaken van elke goede opvoeding om kinderen te leren dat ze zich met hun kleding moeten aanpassen aan de gelegenheid. Maar dat is een totaal andere discussie. Het gaat er nu over dat het meisje dat zich luchtig kleedt niet verantwoordelijk is voor het ongemak van degene die naar haar kijkt. Dat staat volkomen los van de vraag of de kleding gepast is.
    Bovendien is een discussie over gepaste kleding op school pas aan de orde als helder is wat ‘gepast’ in die context betekent, en daarover verschillen de meningen nogal.
  • Als de gewraakte kleding strijdig is met de kledingvoorschriften van de school, is er geen discussie. Dan is het een kwestie van handhaving van schoolregels. Maar ook dat staat volkomen los van het ongemak en (godbetert) de veiligheid van de docent die naar de meisjes staart.
    Wel moeten die kledingvoorschriften dan bekend, duidelijk en vooral redelijk en uitlegbaar zijn. Dit soort kledingvoorschiften lijken immers veelal zowel vooral gericht op, als gehandhaafd richting, meisjes. Een school moet zich afvragen welk doel met die kledingvoorschriften wordt gediend, en hoe redelijk en uitlegbaar ze zijn.

Primus Ballerinus

In Trouw van afgelopen zaterdag betoogde Rosita Steenbeek dat vrouwelijke vormen van beroepsnamen (politica, schrijfster) emancipatoir juist goed zijn: ze maken zichtbaar dat ook vrouwen deze beroepen uitoefenen, en zou daarmee de gelijkheid tussen man en vrouw versterken en acceptatie van vrouwen in traditioneel “mannelijke” beroepen bevorderen.

Ik begrijp de redenering van Steenbeek, maar kan het er om twee redenen niet mee eens zijn. In tegendeel: ik denk dat het handhaven van genderspecifieke beroepsnamen juist een averechts effect heeft, in elk geval op de lange termijn.

Welke twee redenen?

Insectenadel

Zo kwam er toch nog een waardevol weetje voort uit de barre, frustrerende winterse omstandigheden: hoe William Goldman aan zijn titel kwam.

Nu ja, ik geef het toe: het was niet alleen maar frustrerend. Van de Rijnbandijk af sleeën en zelfs skiën, terwijl aan de andere kant het hoogwater tegen het dijklichaam klotst, dat had wel een surrealistische magie.

Maar toen begon een nieuwe lawine van afzeggingen en annuleringen. Voetbalwedstrijden, allá. Daar merk ik sowieso nooit iets van. Dat de Avri te elfder ure aankondigde dat ze het GFT niet komen ophalen morgen, daar valt omheen te werken. En dat de treinen niet rijden, dat zal in deze thuiswerktijden toch amper worden opgemerkt.

Maar tot slot e-mailde het schoolbestuur dat ze vanwege de sneeuw en de gladheid toch maar een dagje later open gaan. En laat me je vertellen: als je kinderen al vijf weken thuis zitten, een lockdown met avondklok gaande is, het hele gezin langzamerhand doldraait en het enige waar we ons op verheugen het heropenen van de scholen is… dan is ijsvrij géén reden voor vreugde.

Al gauw bereikten we in de familie-appgroep de consensus dat morgen tot Nationale Baaldag moest worden uitgeroepen. Met landelijke protesten. Inclusief barricades van hooibalen en erediensten voor Baäl (een kostelijke woordspeling).

Waarop ik me ineens afvroeg: wat was dat eigenlijk voor god, die Baäl?

En wat blijkt: Baäl was helemaal geen god! Althans niet op zichzelf. Baäl was ruim voor Christus, in het Midden-Oosten, gewoon een eretitel, vergelijkbaar met “Heer”, en op vergelijkbare manier gebruikt, om de lokale oppergod aan te duiden. Kanaänieten, Feniciërs, Arameeërs en de Carthagers hadden elk zo hun eigen Baälen, vernoemd naar een lokale plaats- of eigennaam. Baäl Hadad, bijvoorbeeld, of Baäl Melqart, of Baäl Moloch.

Of Baäl Zebub.

Ook bekend als Beëlzebub. Een van de zeven prinsen van de Hel. Vaak, maar strikt genomen onterecht, gebruikt als een andere naam voor Satan.

Nu lijken de geleerden ietwat verdeeld over de herkomst en betekenis van deze specifieke naam. Maar in de basis is er enige consensus: volgens de meesten was Baäl Zebul, te vertalen als “Heer van het Huis”, een godennaam, en hebben de Israëlitieten, die zichzelf qua religie toch wat verder geëvolueerd achtten, dat spottend verbasterd tot “Bäal Zebub“, wat met maar één letter verschil de betekenis verlaagt tot “Heer van de Vliegen”.

En toen viel er, decennia te laat voor mijn leeslijst Engels, een kwartje.

Lord of the Flies.

Zonder de sneeuw had ik dat nooit geweten.

De Kunst Van Het Goed Zijn

Is het überhaupt mogelijk om goed te zijn in kunst?

Vorig jaar heb ik een zeer plezierige week doorgebracht in een hotel aan het strand, waar ik de training Inzicht en Invloed van Bureau Zuidema volgde. Om tegenwicht te bieden voor de emotioneel veeleisende, confronterende inhoud van de cursus als geheel, telde het programma van de laatste dag een oefening die nergens anders voor diende dan het genereren van een goed gevoel. De oefening bestond uit vijf minuten om voor de groep alles op te sommen wat je aan goede eigenschappen en positieve punten over jezelf kon bedenken*, waarna je mocht toehoren hoe de anderen beurtelings alle positieve dingen opsomden die zij van je hadden gezien. Het moge geen verrassing zijn dat iedereen zich na afloop van deze oefening erg goed voelde over zichzelf; het was immers niets meer of minder dan een bad van oprechte en onverwachte complimenten.

Toen het mijn beurt was, noemde ik als een van mijn positieve punten dat ik goed kan autorijden**.  Daarop reageerde medecursist Michael, een geweldige vent maar veel meer een motorrijdende, maximumsnelheid-verslindende, met-vier-biertjes-de-snelweg-opkunnende macho dan ik ooit zou kunnen zijn, zonder alle dédain uit zijn stem te kunnen filteren:

“Je kan je zeker heel goed aan de regels houden.”

Oei, wat gaf je daarop voor repliek?

Eerste Klas Gedrag

Den Haag Centraal, 16:44. De NS heeft weer eens de helft van het treinstel elders laten staan. Omdat de intercity naar Amsterdam dan altijd schreeuwend druk is—en vooral omdat ik in een volgestouwde coupé niet aan schrijven toe kom—geef ik bij de automaat nog snel het extra geld uit voor een upgrade naar eerste klas. Net op tijd zijg ik neer om een comfortabele stoel met ruimte om me heen voor mijn typende ellebogen, en ga aan het werk.

Op station Leiden komen twee keurige dames van rond de veertig de coupé binnen. Met besmuikte bravoure zegt de brunette in het wilde weg:

“Ik ga gewoon hier zitten hoor!”

Wat gebeurde er toen?

Niet Moslims, Maar Mensen

Nu ook in Het Parool (22 januari 2015):

Het Laatste Woord - Moslims (22 januari 2015) - klein Veel te veel is al gezegd over de noodzaak—of zelfs de verplichting—van Moslims om de Charlie Hebdo-moorden te veroordelen en daar afstand van te nemen. De meest verleidelijke redenering daaromtrent, van filosoof Frank Meester in Het Parool van afgelopen zaterdag, is bewonderenswaardig pragmatisch: het is nu eenmaal zo dat het gedrag van enkelingen (of het nu skinheads zijn of fundamentalistische moslims) de perceptie van velen bepaalt. Als herkenbare Moslim word je geassocieerd met de daden van je geloofsgenoten; dat kan je alleen vermijden door uitdrukkelijk afstand te nemen.

Je Suis Humanité Maar dat is natuurlijk de omgekeerde wereld. Het begint ermee dat een meerderheid van onnozelen ervoor kiest om alle Moslims over een kam te scheren, in plaats van zich te realiseren dat de djellaba-dragende buurman, de uitbater van de buurtsuper, en de oogarts met de Arabische achternaam net zo weinig relatie hebben met Charlie Hebdo als zijzelf met de IRA of de Unabomber. Dat is de verwerpelijke essentie van discriminatie en racisme: een hele groep veroordelen op basis van het gedrag van enkelen die toevallig van diezelfde groep lid zijn.

Lees verder…